Geschiedenis

 

Nieuwe vondsten laten een Romeinse bewoningsvorm vermoeden, waarschijnlijk reeds in de 2de eeuw na Chr.
Torhout is daarmee één van de alleroudste steden in Vlaanderen.

 

De oudste bron die Torhout vermeldt, verwijst naar de 7de eeuw. In de 9de eeuw had Torhout een bloeiend zendelingenhuis voor missionarissen voor Noord-Europa. Anscharius en Rembert verlieten Torhout en werden de eerste en tweede bisschop van het bisdom Hamburg‑Bremen. Bij de uitbouw van het graafschap Vlaanderen in de 11de eeuw koos de graaf Torhout als een van zijn machtscentra. Hij vestigde hier het Sint-Pieterskapittel, een jaarmarkt, het grafe­lijk verblijf 's Gravenwinkel en bouwde buiten de stad de waterburcht Wijnendale.

 

Het bekendste lid van het kapittel was polyfonist Jacob Obrecht (1499‑1506), die door Memling vereeuwigd werd. Torhout was vanaf de 11de tot eind 18de eeuw een vrije stad, een van de zeven Wetten in het land van Wijnendale, dat deel uitmaakte van het Brugse Vrije.

 

In de late 16de eeuw werd de stad volledig verwoest, de 17de en vroege 18de eeuw herstelde de stad zich langzaam, zowel op handels- als op demografisch vlak. Vanaf het midden van de 18de eeuw groeide de stad uit tot een regionaal handelscentrum, dit na de aanleg van de wegen Brugge-Menen (1754) en Torhout-Oostende (1776).

 

In de 19de en 20ste eeuw miste Torhout enkele mooie kansen: het spoorwegknooppunt ging naar Lichtervelde, de schoenenindustrie verdween naar Izegem, het kreeg geen deelgemeentes en pas erg laat de aansluiting met de E403. Vanaf de late 19de-eeuw groeide Torhout uit tot een bloeiend winkel‑ en dienstencentrum met scholen, landbouw en wat ambachtelijke industrie. De bevolkingsaangroei resulteerde in de aanleg van nieuwe woonwijken, zoals de Revinze, Driekoningen, Rozenveld en aansluitend een aantal nieuwe parochies.

 

uit : M. Mestdagh, "Torhout, de geschiedenis van een stad", Torhout, 2000

Zoeken

 

Links